Column wethouder Jack van Dorst: Op de rijdende trein

Geplaatst: 30-10-2017

Je stapt op een rijdende trein en moet meteen in de volle vaart mee. Zo voelt het, deze eerste weken van mijn wethouderschap, en zo wil ik het ook. Maar neem van mij aan: die trein rijdt stevig door.

Op dit moment werk ik van actie naar actie: van de benoeming tot wethouder naar de aanbieding van de begroting. Van de begrotingsbehandeling door naar de raadscommissie, om uitleg te geven over de stand van zaken van het verbeterplan voor de administratieve organisatie. Aan diezelfde commissie toelichting geven op de jaarrekening en hup, door naar de tweede bestuursrapportage. Iedere dinsdag vergadering van het college van burgemeester en wethouders, waar ik natuurlijk goed beslagen ten ijs wil komen. Waar de functie als gemeenteraadslid vroeg om controle en om sturen op de hoofdlijnen, daar ben én voel je je als wethouder veel meer direct verantwoordelijk voor hoé alles gedaan wordt. Je kunt zaken ook samen met de andere collegeleden, de gemeentesecretaris, ambtenaren, inwoners en ondernemers echt concreet aanpakken. Dat werkt doeltreffend én is leuk!

De betrokkenheid, discipline en gestructureerdheid waarmee er vergaderd wordt, vallen me in positieve zin op. Van de eerste letter op papier van een voorstel van de ambtenaren tot de daadwerkelijke realisatie van plannen is een lange weg. Voorstellen moeten besproken worden met bijvoorbeeld personeelszaken, juridische zaken en met degene die het onderwerp in zijn portefeuille heeft. Het moet langs het college en vaak nog langs één van de commissies van de gemeenteraad, de griffie en de raad zelf. Dat is snel gezegd zo, maar dat is een flinke weg. Het is me opgevallen dat dit goed verloopt, efficiënt. Ik heb echt het idee dat er stappen in de goede richting gezet worden.

Daarnaast is en blijft er veel te doen. Gelukkig. De begroting voor 2018 ligt er en het werken aan de verbetering van de administratieve organisatie resulteert in meer grip…maar toch heb ik het gevoel dat het nog beter kan. Dat zit nu eenmaal in me. Al op de lagere school deden we wedstrijdjes: wie heeft het eerst zijn proefwerk af én wie heeft het hoogste cijfer? Al vanaf toen weet ik: het kan niet altijd een tien zijn. Maar ook om een acht te halen moet je wel naar een tien streven.