Inkoop- en aanbestedingsbeleid gemeente Moerdijk (per 1 maart 2021)

Het college besluit:

  1. Het Inkoop- en aanbestedingsbeleid van de gemeente Moerdijk vast te stellen en per 1 maart 2021 in te laten gaan 
  2. De gemeenteraad te informeren door middel van een raadsinformatiebrief 
  3. De volgende mandaten te verlenen:
    1. bevoegdheid tot het nemen van een toestemmingsbesluit mandateren aan de Gemeentesecretaris
    2. bevoegdheid tot het afwijken van de Inkoopvoorwaarden als volgt te mandateren:
      • Niet regulier en Enkelvoudig onderhands aan de Teamleiders
      • Meervoudig onderhands aan de Gemeentesecretaris
      • Nationaal openbaar en Europees blijft bevoegdheid college van Burgemeester en wethouders
  4. Daar waar mogelijk lokale ondernemers te betrekken

Het aangeboden Inkoop- en aanbestedingsbeleid beschrijft op transparante wijze de inkoop-doelstellingen en uitgangspunten van de gemeente Moerdijk ten aanzien van inkoop en hoe zij op een doelmatige en rechtmatige wijze haar inkooptaken uitvoert. Bij de actualisatie is reke-ning gehouden met het verminderen van administratieve lasten voor zowel leveranciers als materiedeskundigen. Ten opzichte van het voorgaande Inkoop- en aanbestedingsbeleid 2017 (per 1-9-20017) zijn de belangrijkste wijzigingen:

  • Aansluiting bij het herziene VNG model Inkoop- en aanbestedingsbesluit d.d. 23-7-2019
  • De nieuwe drempelbedragen zijn aangepast conform de kaders die de Gids Proportionaliteit 2e uitgave januari 2020 per 1-7-2020 aangeeft.
  • Toestemmingsbesluiten (voorheen genaamd Afwijkingsbesluiten) worden in plaats van door het college van Burgemeester en wethouders genomen door de Gemeentesecretaris (zie paragraaf 3.7)
  • Afwijken van de Moerdijkse inkoopvoorden gebeurt vanaf 1 maart ‘gestaffeld”. De goed-keuring om af te mogen wijken van de Moerdijkse inkoopvoorwaarden v.w.b. ‘Niet reguliere’ en ‘Enkelvoudig onderhandse’ prijs uitvragen wordt genomen door het Teamhoofd, bij Meervoudig onderhandse aanbestedingen door de Gemeentesecretaris en voor wat betreft Nationaal openbare en Europese aanbestedingstrajecten blijft deze bevoegdheid toebedeeld aan het college (zie paragraaf 3.2).