Overhevelen middelen ten behoeve van invoering Wet inburgering 2020 naar 2021

Het college besluit: 

  1. Het resterende budget ten behoeve van de invoering van de wet inburgering ter grootte van € 133.257,52 over te hevelen van 2020 naar 2021; deze budgetten bestaan uit 3 onderdelen: 
  2. Rijksmiddelen voor de invoering (ontvangen in 2020: € 73.581) 
  3. Rijksmiddelen voor de ‘ondertussengroep’ en bestemd voor facilitering invoering nieuwe wet (ontvangen in 2020: € 43.000) 
  4. Lokaal beschikbaar gesteld budget in 2020 van € 50.000 

In 2020 heeft de gemeente vanuit het Rijk een invoeringsbudget ontvangen om zich voor te bereiden op de invoering van deze wet van €73.581. Daarnaast ontving de gemeente een budget voor de huidige groep inburgeringsplichtigen (de zg. ‘ondertussengroep’) en om de transitie naar de nieuwe werkwijze vorm te geven van €43.000. De gemeenteraad stelde daarnaast een budget van €50.000 ter beschikking. 

Van de beschikbare middelen is minder uitgegeven dan was gepland. Dit houdt deels verband met het uitstel van de invoering van de wet naar 1-1-2022. Daarnaast is er minder uitgegeven omdat door de beperkingen vanwege Corona geplande activiteiten stil kwamen te liggen. In totaal is in 2020 € 33.323,48 uitgegeven. De doelstellingen uit 2020 zijn daarmee niet behaald. 

De uitvoering van de wet (en de voorbereidingen op de invoering) worden gedaan door het Werkplein Hart van West-Brabant. Vanwege het uitstel van de wet zal een groot deel van de voorbereiding op de invoering van de wet plaatsvinden in 2021, in plaats van (zoals eerder gepland) in 2020. Hiertoe worden door het Werkplein in 2021 kosten verwacht ter grootte van € 29.056. Daarnaast wil het Werkplein – conform de wens van de diverse gemeenteraden - al in 2021 starten met de nieuwe werkwijze in de geest van de nieuwe wet (binnen de richtlijnen van het ministerie). Dit was eerder niet voorzien, en komt voort uit het uitstel van de invoering van de wet. U wordt gevraagd om het restant van het oorspronkelijke invoeringsbudget van € 73.581 hiertoe over te hevelen naar 2021. Daarnaast wordt u gevraagd om het restant van het rijksbudget voor de ondertussengroep en het resterende lokaal beschikbaar gestelde budget uit 2020 over te hevelen naar 2021. 

Hiervan kunnen de (lokale) kosten voor de Divosa benchmark statushouders en de kosten die gemaakt worden om statushouders te huisvesten (samen circa € 14.700) worden betaald. Daarnaast is het met het resterende budget mogelijk om op lokaal niveau extra te investeren in de toeleiding naar werk en vergroten van de zelfredzaamheid van de huidige groep status-houders. Dit is passend bij de doelstelling om de ‘ondertussen-groep’ te ondersteunen. Indien het budget hiervoor bijvoorbeeld vanwege de corona-beperkingen niet kan worden aangewend, vloeit het bedrag in 2022 terug naar de algemene reserve.