Vaststellen ontwerp-BP Oude Heijningsedijk 105

Het college besluit:
 De gemeenteraad voor te stellen:

  1. Het bestemmingsplan Oude Heijningsedijk 105 te Heijningen zoals vervat in de bestandenset met planidentificatie NL.IMRO.1709.BG01OHdijk105-BP30 ongewijzigd vast te stellen;
  2. Ten behoeve van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen;
  3. De planidentificatie van het bestemmingsplan te wijzigen van NL.IMRO.1709.BG01-OHdijk105-BP30 naar NL.IMRO.1709.BG01-OHdijk-105-BP40.
  4. Het vastgestelde bestemmingsplan te publiceren en voor de periode van 6 weken ter visie te leggen.

Het ontwerp bestemmingsplan Oude Heijningsedijk 105 heeft ter inzage gelegen van 13 december 2018 tot en met 24 januari 2019. Het plan komt voort uit het verzoek van de heer Reijnders, om de bestemming van het perceel Oude Heijningsedijk 105 te Heijningen te wijzigen van ‘Agrarisch’ naar ‘Bedrijf – Agrarisch aanverwant’ met als nevenactiviteit ‘Agrarisch’ en ‘Buitenopslag’ ten behoeve van het loonbedrijf .
Voor het verzoek is een bestemmingsplan gemaakt. In het plan zijn de voorwaarden die u bij het principebesluit, heeft gesteld voorwaarden verwerkt. De gestelde voorwaarden staan hieronder opgesomd:

  • de verandering mag niet leiden tot beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende agrarisch bedrijven;
  • er moet sprake zijn van een versterking van de ruimtelijke kwaliteit, waarbij getoetst moet worden aan de ontwerprichtlijnen uit het landschapskwaliteitsplan;
  • geen milieuhinderlijke functies (maximaal categorie 1 en 2);
  • verkeer aantrekkende functies alleen op goed ontsloten locaties.

Eerder heeft het college al besloten dat het opstellen van een milieu effect rapportage voor deze ontwikkeling niet nodig is.
Op dit plan is gedurende de ter inzagelegging geen zienswijze ingediend. Na vaststelling van het bestemmingsplan door de gemeenteraad wordt het bestemmingsplan wederom zes weken ter inzage gelegd. Nu er geen zienswijzen ingediend zijn kan alleen beroep bij de Raad van State worden ingediend door belanghebbenden die kunnen aantonen dat zij redelijkerwijs niet in staat zijn geweest een zienswijze in te dienen.